Welkom beste bezoeker
Voor de individuele wedstrijd werkt de gymnast met vier van de vijf tuigen.
Aan een groepsoefening kunnen vijf gymnasten deelnemen, die telkens twee oefeningen moeten aanleren en uitvoeren.
In de ene oefening werken ze alle vijf met hetzelfde tuig, in de andere oefening werken twee meisjes met één tuig en
drie meisjes met een ander tuig.
het touw
Het touw is van hennep of van een synthetisch materiaal vervaardigd. De lengte van het touw wordt aangepast aan de lichaamslengte van de gymnast.
Doorslagen, werpen en vangen, en het lossen en weer opvangen van een uiteinde zijn de typische technische bewegingen voor het touw. Verdere bewegingen zijn het zwaaien,
het kreitsen, achtbewegingen en golfbewegingen. De vorm of de tekening van het touw moet gedurende heel de oefening duidelijk
herkenbaar zijn en mag niet vervormd worden. Daarom moet de gymnast heel behendig zijn en over een goede coördinatie beschikken.
de hoepel
De hoepel, die minstens 300 gram moet wegen, is van
niet-hervormbare plastic en heeft een diameter van 80 tot 90 cm. De typische bewegingen van de hoepel zijn het
rollen over de grond of over het lichaam, het omkreitsen van een hand
of van een ander lichaamsdeel, het werpen en vangen.
Verdere bewegingen zijn het zwaaien, het kreitsen en de achtbewegingen. Tijdens een hoepeloefening moet men een variatie zien bij het hanteren van het tuig op verschillende hoogtes, in verschillende vlakken en
richtingen. Omdat de hoepel een groot tuig is moet men de
techniek goed beheersen zodat hij niet uit zijn vlak gaat.
de bal
De bal is gemaakt van rubber materiaal en heeft een diameter van 1
8-20 cm en is met haar 400 gram zwaarder dan we denken. De baltechnieken worden vooral
gecombineerd met lenigheidelementen en rompbewegingen. De belangrijkste technieken met de
bal zijn het botsen, het werpen en vangen, en het rollen over de grond of over het lichaam.
De bal moet gedurende heel de oefening ontspannen in
de hand worden gehouden zonder klemming tegen de pols, er mag ook niet
genepen of gegrepen worden tussen de vingers.
de knotsen
De knotsen, die van synthetisch materiaal vervaardigd zijn en waarmee de gymnasten per paar werken, meten 40 a 50 cm en wegen
minstens 150 gram per stuk. In een knotsoefening zal overwegend met evenwichtselementen worden gecombineerd,
terwijl de typische knotselementen bestaan uit molentjes, handkreitsen, werpen en vangen.
Wie handig is, kan met de knotsen tal van trucjes ofwel gelijkmatig zoals de wijzers van een
horloge ofwel alternerend uitvoeren. Wie echter tweehandig is, heeft met dit tuig een voorsprong op zijn concurrenten.
het lint
Het lint is van satijn of van een niet gesteven afgeleide ervan, het touw heeft een minimale
lengte van 6 meter en een breedte van 4-6 cm en mag niet meer wegen dan 35 gram. Het
stokje mag niet dikker zijn dan 1 cm, het stokje is 50-60 cm lang en bestaat meestal uit glasvezel.
Een lintoefening zal vooral gekenmerkt worden door draaien en pivots. De belangrijkste bewegingen
van het lint zijn de slangen en spiralen, het werpen en vangen, en het lossen en terug opvangen.
De tekeningen met het lint moeten duidelijk, groot, vloeiend en sierlijk worden utgevoerd.
Bij het werpen moet lint volledig van de grond komen. Bij een minder goede beheersing van de techniek is
knoopvorming een vervelend kwaad, wat het werken met lint vaak minder geliefd maakt bij de gymnasten.